Zet aanwijzingen die het vermoeden onderbouwen op een rij.
Maak een kleine inventarisatie over de huidige hulpverlening.
Hoe is de gezinssituatie? Wat is er aan de hand?
Beoordeel de situatie, schat het acute risico in.
Stel vragen en/of uit je bezorgdheid bij de oudere
(waarbij het woord ouderenmishandeling niet wordt gebruikt!).
Houd contact met de betrokkenen.
Luister goed: zowel naar slachtoffer als pleger, neutraal en feitelijk.
Let op lichaamstaal en wees geduldig.
Check of er andere hulpverleners komen en wat zij weten en/of vermoeden.
Leg waarnemingen zo mogelijk (met tact) voor aan de oudere, vermoedelijke pleger en/of contactpersoon van het slachtoffer.
Beoordeel de resultaten uit fase 1,2 en 3.
Besluit welke acties moeten worden genomen.
Besluit wie deze acties gaat nemen. Bij sommige organisaties stoppen hier de mogelijkheden.
Er moet een andere organisatie worden benaderd om tot actie over te gaan.
Benoem een probleemeigenaar/casemanager.
Er zijn drie verschillende situaties mogelijk:
|
A.
Er is géén sprake van mishandeling of: de twijfel over mishandeling blijft bestaan |
B.
Er is sprake van mishandeling maar betrokkenen willen géén hulp |
C.
Er is sprake van mishandeling en betrokkenen willen hulp |
Maak een keuze, selecteer een actie door op een schild te klikken.
Schakel andere hulp in, indien noodzakelijk.
Blijf alert.
Bij twijfel:
Ga door met verzamelen van informatie en observeren.
Overleg met ASHG.
Vraag iemand om mee te observeren.
Herhaal (delen uit) het onderzoek.
Ouderen die mishandeld worden zijn vrijwel altijd afhankelijk van de pleger. Dat maakt de aanpak vaak lastig.
Blijf, indien mogelijk, contact houden.
Geef een telefoonnummer dat (dag en nacht) bereikbaar is.
Zorg voor een vangnet.
Informeer de huisarts zodat deze ook alert is.
Meld (uw vermoeden van) mishandeling bij het ASHG.
Soms kan een tijdelijk huisverbod worden ingevoerd.
Voor het bieden van de juiste hulp is een goede infrastructuur, samenwerking en coördinatie van verschillende hulpverlenende organisaties noodzakelijk.
De omstandigheden die kunnen leiden tot mishandeling van een slachtoffer zijn zeer uiteenlopend. De hulp die nodig is om de omstandigheden te verbeteren dus ook. Afhankelijk van de situatie, de vorm van mishandeling en de ernst van de situatie wordt hulp ingeschakeld. Inventariseer de mogelijkheden.
De mishandeling wordt gemeld bij het ASHG en de aandachtsfunctionaris die de coördinatie van de verder te nemen stappen op zich neemt (casemanager). Goede verwijzing is het meest essentiële element bij ondersteuning van het slachtoffer.
Met het slachtoffer (en pleger) wordt besproken welk soort hulp nodig is.
Soms is de situatie zodanig verstoord dat een (veilige) omgeving in een speciaal daarvoor toegeruste voorziening voor een cliënt de enige (tijdelijke) oplossing is om ernstige mishandeling te voorkomen en om over een lange termijnoplossing na te denken.
Voor het bieden van de juiste hulp is een goede infrastructuur, samenwerking en coördinatie van verschillende hulpverlenende organisaties noodzakelijk.
Belangrijke aandachtspunten in de evaluatie zijn:
Zijn de vermoedens met behulp van derden voldoende onderbouwd?
Is het stappenplan "op maat" uitgevoerd?
Hoe verliep de besluitvorming voor wat betreft de uitvoering van de verschillende stappen?
Is de cliënt zorgvuldig en doortastend benaderd?
Waren betrokkenen gesprekstechnisch voldoende toegerust?
Wat waren (in het algemeen) de knelpunten?
Sta ook stil bij de emoties van de medewerker.
Niet te snel afsluiten!
Ook als er een redelijke oplossing lijkt te zijn, is het zaak de casus in de gaten te houden.
Bij afsluiten, laten weten aan hulpverleners zoals bijvoorbeeld huisarts.
Duidelijk maken dat de hulpverleners weer contact op moeten nemen als het opnieuw mis dreigt te gaan.
(Sociale) netwerkleden inschakelen om casus in de gaten te houden.
Logboek, lichaamskaart bijhouden en foto's maken.
Veiligheidsplan maken.
